FAQ Brass

Doelgroepen:
I. Cultuureducatieve instellingen
II. Inhoudelijk verantwoordelijken
III. Organisatorisch verantwoordelijken

1. Wat is de BBS?
De Brassbandschool (BBS) is een vorm van muziekeducatief aanbod dat zich richt op Antilliaanse (en in mindere mate Surinaamse) brassbands. Door de bands te faciliteren met oefenruimtes, en een scholingsprogramma op te zetten voor nieuwe (jonge) muzikanten in het circuit, wordt het niveau van de bands gaandeweg verhoogd. Bovendien beleven jongeren plezier aan spelen in de sociale context van de band, onder leiding van docenten die voor hen herkenbaar zijn. De eerste Brassbandschool werd in 2006 opgezet in Rotterdam Zuid. De grootstedelijke omgeving is bepalend geweest voor de Brassbandschool zoals die functioneert in Rotterdam maar het model laat zich goed vertalen naar een andere context.

2. Voor wie is de BBS? Welke doelgroep bereikt de BBS voornamelijk?
De BBS is opgezet om te voorzien in een behoefte van Antilliaanse (en Surinaamse) jongeren die in een brassband (willen) spelen. Dit is de primaire doelgroep maar inmiddels bereikt de BBS ook andere geïnteresseerden, zij het met mate.

3. Wat is er zo bijzonder aan de BBS?
De BBS is een vorm van non-formele muziekeducatie die inhaakt op de culturele achtergrond en omgeving van de primaire doelgroep: muzikanten met een Antilliaanse of Surinaamse achtergrond. Door het onderwijs vorm te geven vanuit de band zelf, met de behoefte van de leerlingen als bandleden centraal, kan de BBS voorzien in continuïteit in het bereik van deze doelgroep, daar waar deze vaak ontbreekt in cultuureducatie. Met andere woorden: de BBS is een manier om Antilliaanse en Surinaamse jongeren binnen te krijgen en te houden.

4. Waarom moet er voor deze doelgroep specifiek aanbod ontwikkeld worden?
De BBS richt zich op een heel specifieke doelgroep: Antilliaanse jongeren. Dit is opvallend omdat muziekeducatieve projecten vaak een zo breed mogelijk publiek willen bereiken. Bovendien maken we niet graag onderscheid op basis van culturele of etnische achtergrond. Toch leek de culturele situatie van Antillianen, en dan met name jongeren, in Rotterdam ons zo bepalend voor hun cultuurparticipatie dat het de moeite waard was om te onderzoeken of een specifieke aanpak ontwikkeld moest worden. Het antwoord is ja en nee.

Ja de BBS is een succesformule gebleken bij het werken met Antilliaanse jongeren. Het uitgangspunt dat er vanuit (en niet alleen met) de beleving van de jongeren gewerkt wordt, is belangrijk voor het slagen van de aanpak. De methodiek is al doende tot stand gekomen tijdens het werken met de doelgroep, door de coördinatoren en docenten, onder het inhoudelijke bewaking van Carlo Balemans, muzikant, dirigent en hoofdvakdocent blaasorkestdirectie bij Codarts (Rotterdams Conservatorium).

Nee de brassbandschool gebruikt een methodiek die niet alleen specifiek geschikt is voor de Antilliaanse doelgroep, al is hij daar wel voor ontwikkeld. Ervaring met andere doelgroepen, ondersteund door onderzoek, laat zien dat de methodiek breder inzetbaar is. Wel is het zo dat de Antilliaanse jongerendoelgroep goed te bereiken is met deze methodiek, maar ook net zo makkelijk weer verloren wordt als de aanpak te beknellend, te ‘formeel’, wordt.

De aanpak zoals deze hier beschreven wordt, is dus intensief maar werpt ook zijn vruchten af voor de instelling: door het bereik van een ‘moeilijke’ doelgroep, en door de innovatieve benadering die ontwikkelkansen biedt ten aanzien van het bereiken van weer andere doelgroepen.

5. Kan een BBS in het gewone aanbod worden meegenomen?
Ja en nee. De BBS is een goede manier om een bepaalde doelgroep te bereiken maar zoals veel instellingen hebben ondervonden in de loop der tijd: een doelgroep binnen houden is minstens zo moeilijk. De educatie- en communicatiestrategie van de BBS zijn ontwikkeld om deze doelgroep optimaal te bedienen en dat werpt zijn vruchten af. Bovendien is het interessant om de kwestie juist eens van de andere kant te bekijken: wat kan de instelling op deze gebieden leren van de BBS-aanpak, voor andere activiteiten?

6. Wat voor personeel heb ik nodig?
Hoe de BBS binnen uw organisatie wordt georganiseerd, is natuurlijk sterk afhankelijk van uw eigen organisatie en context. In Rotterdam werd de BBS buiten de reguliere organisatie ontwikkeld en per september 2011 een vast onderdeel van de SKVR Muziekschool. Door het specifieke karakter van het onderwijs aan de BBS neemt deze een bijzondere positie in binnen de SKVR. Om de identiteit van de BBS te waarborgen is gekozen voor de volgende organisatiestructuur:

De teammanager vertegenwoordigt de belangen van de BBS binnen de SKVR. Hij is de belangrijkste persoon in de communicatie tussen BBS en SKVR. De verantwoordelijkheden van de teammanager liggen voornamelijk op beleidsmatig vlak. De coördinatoren zijn de spil van de BBS. Zij motiveren en controleren en werken als een team. Er is sprake van een artistiek coördinator en een zakelijk coördinator. De artistiek coördinator is verantwoordelijk voor de inhoudelijke kwaliteit van het onderwijs:
• In praktijk brengen methodiek
• Coaching docenten incl. teambuilding
• Toetsing leerlingen
• Overleg zakelijk coördinator en teammanager SKVR

De zakelijk coördinator is verantwoordelijk voor de zakelijke kwaliteit van het onderwijs:
• Roosters leerlingen en docenten
• Urenadministratie docenten
• Afmelding leerlingen en docenten
• Communicatie met ouders, o.a. als aanspreekpunt op locatie
• Organisatie examens en andere evenementen
• Beheer leerlingendossiers
• Overleg artistiek coördinator en teammanager SKVR
Kijk [linkje]hier voor meer informatie over de docenten.

7. Wat voor docenten heb ik nodig voor de BBS?
Per band (15-20 leerlingen) is behoefte aan twee docenten: een drummer en een blazer. Het kan gaan om trompet of trombone.

Het docententeam van de BBS bestaat uit een mengeling van verschillende ‘soorten’ docenten: een deel is afkomstig uit de brassbandscene en heeft (nog) geen beroepskwalificaties, en een deel heeft een diploma van het conservatorium op zak (blaasdirectie, trompet of trombone, of percussie). Zij brengen ieder een belangrijk deel van de methodiek in het proces van de bands. De samenstelling van de docententeams per band is dan ook belangrijk om de juiste balans te vinden.

In tegenstelling tot de ‘reguliere’ docentenrol, is de docent aan de Brassbandschool vooral een coach voor de leerlingen. Hij/zij is niet degene die de waarheid in pacht heeft (al is hij wel in bezit van de benodigde kennis en ervaring) maar degene die de leerlingen inspireert en motiveert om te leren. De leerlingen kunnen wel bij hem komen voor aanvullende kennis en vaardigheden die zij niet zelf hebben of van elkaar kunnen leren. De docenten functioneren in teams, dat wil zeggen dat zij elkaar aanvullen in expertise, aanpak en ook zich aan elkaar kunnen spiegelen en op hun beurt ook van elkaar kunnen leren.

Taken/rol
De docent aan de Brassbandschool is verantwoordelijk voor:
• Het delen van de verantwoordelijkheid voor de band met de bandleden (zie §1c) – dit is dus inclusief het maken en handhaven van regels!
• Sturen van het leerproces door het creëren van specifieke behoefte aan kennis en vaardigheden (competenties).
• Het sturen van het sociale proces van de brassband zodat de balans tussen ‘leiders’ en ‘volgers’ (zie §3b) gewaarborgd is.
• Vervullen van een rolmodel-functie voor de jongeren in de brassbandschool .
• Aanvullende instructie verzorgen als de leerlingen er met peer education niet uitkomen, zowel individueel als binnen de band-context.

8. Over welke eigenschappen en competenties moeten de docenten voor de BBS beschikken?
Een docent aan de Brassbandschool beschikt over de volgende eigenschappen:
• Voldoende muzikale en pedagogische ‘bagage’ om de methodiek uit te voeren en – wanneer beschikbaar – de leerlingen door het raamleerplan te leiden;
• Ervaring met de uitvoeringspraktijk van Caribische brassbands in Nederland;
• Coachingsvaardigheden (zie boven) inclusief weten wanneer in te grijpen in het leerproces en wanneer de bandleden zelf te laten ontdekken;
• Zowel de leerdoelen op lange termijn als op korte termijn in de gaten kunnen houden;
• Flexibele houding om adequaat te kunnen reageren op de leervraag die ontstaat bij leerlingen;
• In staat om in een team te functioneren dus zich dienstbaar kunnen opstellen t.b.v. het leerproces van de band, de leerlingen en de brassbandschool;
• Goed kunnen communiceren, zowel verbaal als non-verbaal;
• Bruggen bouwen tussen culturen;
• Het vertrouwen kunnen winnen van de doelgroep d.w.z. authentiek zijn, zeker van zijn eigen competenties, en empatisch vermogen hebben;
• Onomstreden in de Caribischebrassbandscene in Nederland en onafhankelijk kunnen opereren;
Een formele (beroeps)kwalificatie voor de docenten is minder belangrijk dan gebleken functioneren binnen de brassbandschool. Met andere woorden: voor zowel (ongeschoolde) docenten uit de brassbandscene als gediplomeerde docenten is aanvullende context-gebonden ervaring nodig.

9. Kan ik mijn huidige docenten inzetten?
Dit is een terugkerende vraag en een pertinente voor veel instellingen. Het is natuurlijk erg afhankelijk van de bestaande expertise van uw huidige docenten en of zij deze willen en kunnen aanvullen met kennis en vaardigheden die nodig zijn voor werken met Caribische brassbands. Een formele (beroeps)kwalificatie, bijvoorbeeld op het gebied van hafabra-directie of docentschap, is niet voldoende, zo is gebleken in Rotterdam. Context-gebonden ervaring is nodig om zelfstandig te functioneren binnen de BBS. Ook is het raadzaam – eigenlijk onmisbaar! - om het docententeam aan te vullen met docenten/muzikanten uit de brassbandscene. Ook voor hen is meestal echter aanvullende scholing en ervaring nodig. De BBS is geen snel-klaar recept maar de investering kan vruchten afwerpen voor de hele organisatie.

10. Wat voor bijscholing heeft mijn bestaande personeel nodig?
Dit is natuurlijk sterk afhankelijk van de huidige expertise van uw docenten en ander personeel. Uit ervaring is gebleken dat docenten die worden aangetrokken – van Nederlandse of Antilliaanse achtergrond, formeel geschoold of niet – nagenoeg altijd moeten worden bijgeschoold, het liefst in de praktijk. Heel kort door de bocht genomen: HaFaBra en instrumentale docenten hebben behoefte aan ervaring met Caribischebrass en brassbands en werken met de Antilliaanse cultuur, Antilliaanse docenten missen vaak kennis en vaardigheid op pedagogisch gebied. Met dit ‘learning on the job’ moet in het project rekening worden gehouden.

Een teamcoach voor de docenten is geen overbodige luxe: een centrale figuur die het team aanstuurt en als een soort mentale coach kan optreden. Hij/zij houdt in de gaten of de docenten de bands goed coachen en of de docenten zichzelf nog goed uitdagen. De teamcoach houdt in de gaten of de docenten nog bereid zijn om zelf te leren, zich dienstbaar aan de band op te stellen, en nog altijd goed communiceren met de bandleden en elkaar.

11. Met welke partners kan ik onder meer samenwerken?
Een BBS alleen draaien is mogelijk maar het is effectiever en bestendiger om nauw samen te werken met partners in de omgeving, waaronder – natuurlijk – Caribische brassbands. Dit geeft inhoudelijke ondersteuning en ook continuïteit aan het project. Het onderhouden van de samenwerking vereist echter ook tijd en energie. Zorg dus dat uw organisatie en budget hiervoor ruimte biedt.Mogelijke partners, naast de instelling zelf:

Caribische brassbands! – Niemand kent de bands beter dan de insiders. Er zijn in Nederland talloze brassbands. De Caribischebrasscultuur in Nederland is levendig, levendiger nog dan op de eilanden zelf. Dit betekent dat er naast veel kansen voor bands om op te treden, ook economische belangen meespelen bij de profilering en ontwikkeling van de bands. Ga daarom in gesprek met verschillende bands en spelers en kijk hoe zij en u het meest profiteren van samenwerking. Denk aan nieuwe leerlingen, inhoud, expertise-ontwikkeling.
Externe financiers – Een BBS is vanwege de vele mogelijke invalshoeken (artistiek, educatief, sociaal) aantrekkelijk voor het vinden van externe financiering. Te denken valt aan gemeente, financiering op wijkniveau, cultuurspecifieke fondsen, organisaties en fondsen op het gebied van cultuur- en samenleving-participatie, enzovoort. Pas op voor financiering op projectbasis! Voor de lange termijn is inpassing in de reguliere budgetten gewenst om de continuïteit van de BBS te waarborgen.

Festivalorganisaties – Caribischebrass is in eerste instantie showmuziek en de bandleden laten zich graag zien! In Rotterdam is de Battle of the Drums aan de vooravond van het Zomercarnaval een grote aanjager voor bands om zich (verder) te ontwikkelen. De bands spelen om te winnen en daar trainen zij voor. Gebruik zo’n trigger om leerlingen te trekken, bands aan je te binden, en het educatief plan te ontwikkelen.

(Kunst)Vakonderwijs – Een sterk ‘community’ gedreven project als de BBS is aantrekkelijk voor bijvoorbeeld docentenopleidingen en bijvoorbeeld HaFaBra-opleidingen van het kunstvakonderwijs, maar ook opleidingen als CMV kunnen interesse hebben om stagiaires af te vaardigen, faciliterende taken op zich te nemen, deel te nemen in het ontwikkelen van de BBS voor uw context.

12. Welke investeringen zijn nodig vanuit de instelling om een BBS mogelijk te maken?
Dit is afhankelijk van de mogelijkheden van de instelling maar vooral ook de behoefte van de bands en muzikanten in de omgeving.
Faciliteiten beschikbaar stellen terwijl er geen vraag naar is, levert niets op. Te denken valt aan de volgende kostenposten:
- Beschikbaar stellen locatie: bijvoorbeeld een lesgebouw dat leeg staat in het weekend en tijdens de vakanties
- Personeel & ontwikkeling kader: aantrekken van nieuw personeel uit de brassbandwereld, deskundigheidsbevordering
- Instrumentarium: nieuwprijs ongeveer €7000 tot €8000 inclusief BTW voor een volledige set inclusief harnassen, tweedehands is mogelijk maar neem een expert mee.
- Promotie: de gebruikelijke communicatiekanalen zullen niet voldoende zijn, aanvullende promotie, bijvoorbeeld tijdens evenementen en op locatie, is nodig
- Uren voor het opzetten en ontwikkelen vd BBS, smeden van samenwerkingsverbanden, enz.
13. Betalen de leerlingen van de BBS reguliere tarieven?
Deelnemers van de BrassBandSchoolbetalen het tarief conform het SKVR beleidvoorwijkgerichtwerken:€5 - €10 per maand. Wijkgerichtwerken is eenspeerpunt in het nieuwecultuurplan (2013-2016)waarmeede SKVR jonge en kwetsbaredoelgroepenwilbereikenvoorwiekunsteducatievaaknietvanzelfsprekend is.

De contributie wordt per jaar in één keer geïnd. Dat werkt beter dan handmatig en/of per maand. Het is gebleken dat de doelgroep dit gewoon opbrengt voor de lessen. Voor leerlingen die de contributie echt niet kunnen betalen, is een betalingsregeling mogelijk. Dit wordt per geval bekeken en bepaald. Deelnemers tot 18 jaarkunneneenberoepdoen op het JeugdCultuurFondsindien het (gezins)inkomenniettoereikend is om de contributietekunnenbetalen.

De contributie is maar een kleine bijdrage in de kosten. Het is echter een belangrijk middel omdat het zorgt voor commitment aan de BBS bij de leerlingen vanwege waardebesef: de lessen zijn tastbaar waardevol. Op z’n Antilliaans: Whatyousee is whatyou get.

14. Waar komt de Caribische brassbandcultuur vandaan?
Met Caribischebrass bedoelen we brassbands die hun culturele oorsprong vinden in de Nederlandse Antillen, met name Curaçao en Aruba, en Suriname. De tradities uit Curaçao en Aruba hebben een gemeenschappelijke geschiedenis, de Surinaamse brass heeft zich apart ontwikkeld. De bands vinden wel een gemeenschappelijke oorsprong in de koloniale brassbands (Engelse stijl) die zich in het Caribisch gebied hebben verspreid. In Nederland zijn de Antilliaanse/Arubaanse en Surinaamse bands weer dichter tegen elkaar gekomen qua ontwikkeling.

In het kader van de BBS gaat het vooral om Antilliaanse bands. Opvallend is dat de brasscultuur in Nederland momenteel levendiger is dan op de Antilliaanse eilanden!

15. Hoe zit een Caribische brassband in elkaar?
Het grootste deel van de brassband speelt – ongeacht de naam van de band – drums. Van de ongeveer 20 bandleden zijn er ongeveer 14 drummer, meestal meer. De drums die bespeeld worden zijn snares, tenors, melodische sets (threepiece of fourpiece), en bas. Een combinatie van trompet en trombone is gebruikelijk voor de blazers.

Centraal leiderschap is een gegeven in de brassbandwereld. Een band drijft over het algemeen op een sterke bandleider die zorg draagt voor zowel de zakelijke als inhoudelijke kant van de band, de captain. Bij een aantal meer geprofessionaliseerde bands is wel een rolverdeling aangebracht tussen een zakelijk brein en een muzikale leider maar in de praktijk lijkt toch telkens één man de leider te zijn. Hij leidt meestal ook de repetities. Dit gegeven zorgt ervoor dat een docent in de BBS stevig in zijn schoenen moet staan.

16. Wie spelen er in een brassband?
De meeste brassbandleden in Nederland zijn tussen de twaalf en twintig jaar oud, en spelen drums. Het is overwegend een mannencultuur, hoewel de meidenbands enigszins in opkomst zijn.

17. Hoe zit het met het repertoire van de Caribischebrassmuziek?
Er is een verschil tussen Surinaamse en Antilliaanse bands. Op het Surinaamse muziekmenu staat overwegend kaseko en bigipokoe. Antilliaanse bands spelen asambeho, een typisch Antilliaans fenomeen dat bestaat uit een mengelmoes van Caribische en andere ritmes, sterk verbasterd tot de huidige vorm vooral door de hoge tempo. Asambeho is het Papiamento van de brassbandmuziek.

Repertoire van de brassbands bestaat voornamelijk uit arrangementen van bestaande werken: standards, bewerkte populaire liedjes en tunes uit het carnaval-circuit op de Antillen. De arrangementen in brassbandmuziek zijn relatief eenvoudig en gaan vooral om de melodielijn. Soms wordt de melodie tweestemmig gemaakt. De arrangementen worden door de docenten gemaakt of door iemand in de brassband-scene. Daar moet meestal voor worden betaald. Dat gaat per melodielijn. In repertoire en met name arrangementen zit momenteel nog weinig ontwikkeling al zijn er veranderingen gaande, vooral in het kader van de Battle of the Drums, omdat bands telkens met iets nieuws moeten komen om vooraan te blijven staan bij de battles.

Binnen de BBS komt nieuwe input vooral uit de leerlingen. Docenten spelen hierin wel een sturende rol: biedt een stuk volgende mogelijkheden voor de band, heeft een andere band hetzelfde liedje al eerder gedaan, enzovoort. Het is ook aan de docent om de leerlingen uit te dagen om creatief over het repertoire na te denken.

18. Welke instrumenten zitten er in een brassband?
Zoals gezegd bestaan de meeste brassbands voornamelijk uit drums. Bij de Antilliaanse/Arubaanse bands gaat het om vier soorten: snare drums, tenor, timtom/threepiece of fourpiece/quadrup, bass drum. Soms komt daar een diepe drum bij, de surdo die oorspronkelijk uit de samba komt. Qua blazers is de diversiteit klein: alleen trompet en trombone worden gebruikt.

19. Zitten er bij mij in de buurt ook Caribische brassbands?
De bands hebben zich vooral geconcentreerd rond de twee grootste steden: Amsterdam en Rotterdam. In Rotterdam is de Arubaanse/Antilliaanse gemeenschap groot. Dit is terug te zien in het aantal en de aard van de bands. Er zijn er ongeveer 17 in Rotterdam alleen, vooral Arubaans/Antilliaans. Zoals MelvinMiddelijn, muzikant en choreograaf, zegt: iedere deelgemeente heeft er één nodig. In Amsterdam Zuidoost daarentegen zijn bijna uitsluitend Surinaamse bands te vinden.

Brassbands zijn geen uitsluitend grootstedelijk fenomeen! Buiten de grote steden zijn de brassbands ook te vinden. De bands zijn gevestigd door heel Nederland, van Den Helder tot Maastricht en van Eindhoven tot Groningen. Neem contact op met de Antilliaanse gemeenschap in uw omgeving om meer te weten te komen.

20. Hoe onderscheidt het onderwijs aan de BBS zich van onderwijs in het reguliere buitenschoolse aanbod?
De lesmethodiek van de Brassbandschool heeft zich in de loop der jaren gevormd. Leek het aanbod in het begin nog een beetje op een traditionele muziekschool (al was het dan met heterogene groepslessen), na verloop van tijd werden de lessen heel anders ingedeeld omdat dit beter aansluit bij de manier waarop Caribische brassbands functioneren. Hiermee begeeft de brassbandschool zich meer dan ooit op het gebied van non-formele educatie.

De Brassbandschool gaat uit van een aantal principes.


De beleving staat centraal - Een van de kenmerken van de Brassbandschool is dat de leerlingen binnen komen met een zeer praktijkgerichte behoefte: ze willen spelen in een brassband en wel nu! Wat ze dus niet willen – en waarvoor ze dus niet komen opdagen – is lessen volgen, theorie uitgelegd krijgen, en etudes doen.

De Brassbandschool is georganiseerd rond bands. De bandleden werken samen aan alle elementen die nodig zijn voor een goede performance (en een goede score tijdens een battle): van muzikaliteit tot choreografie, van een strakke uitvoering tot goede speeltechniek, en van soepele samenwerking tot een vette bandnaam. Alles komt geïntegreerd aan bod.

De complete beleving is de belangrijkste kwaliteit van de Brassbandschool; vanuit die beleving moet de behoefte aan kennis en vaardigheden komen. Dus: wat is er nodig om tot een goede brassband te komen? Waarom klinkt de ene band beter dan de andere? (Hoe zorgen wij dat wij de beste brassband zijn?)

Leren gaat uit van een behoefte - De brassbandleden willen iets: zij willen spelen in een goede brassband. Dat kan alleen als zijzelf goed worden, als zij kunnen spelen en functioneren als een groep. Deze wetenschap wordt steeds meer duidelijk naarmate de leerlingen vorderen. Uit deze behoefte komt ook de leervraag: leer mij de grepen voor deze melodie, hoe houd ik mijn stokken vast zodat ik dit kan spelen, hoe breng ik mijn kennis over aan mijn maatje? Aspecten als speeltechniek komen dus ook geïntegreerd aan de orde.

Het is de taak van de docenten om te zorgen dat de leerlingen al doende tegen hun eigen grenzen aanlopen, op zo’n manier dat ze niet worden gefrustreerd maar worden uitgedaagd om deze te verleggen. Door middel van peer education (leren van elkaar) en zo nodig instructie door de docent, worden al doende vaardigheden aangeleerd die de leerlingen steeds een stap dichtbij hun doel brengen: spelen in de beste brassband.

De leerling krijgt verantwoordelijkheid - Het werken met bands op basis van peer education en coaching gaat sterk uit de verantwoordelijkheid van de leerling. Dit lijkt (en is) een uitdaging voor de docenten en coördinatoren omdat het ervan uitgaat dat de leerling gemotiveerd is om te leren. Dat is in het bandverband echter ook het geval: doordat de leerlingen de beste band willen hebben, stijgt de motivatie. Wat toegevoegd wordt is echter de verantwoordelijkheid: de leerlingen zelf vormen de band en zorgen ervoor dat deze goed of beter wordt.

‘Waar ligt je eigen kracht en hoe zet je die in voor de groep?’ Iedereen zal zijn/haar rol moeten pakken in de band en verantwoordelijkheid nemen voor zijn/haar bijdrage. Het uitgangspunt is dat men graag naar de brassband wil komen omdat men een actieve bijdrage levert. Waar die bijdrage uit bestaat, verschilt per leerling. De een zijn kracht is een puur muzikale terwijl een ander dit het best combineert met choreografie of organisatie. Het gaat erom het totaal tot stand te brengen.

Behalve dat dit uitnodigt tot peer education, dient het geven van verantwoordelijkheid aan de leerlingen nog een doel: leerlingen krijgen daardoor het gevoel dat hun inbreng en inspanning wordt gewaardeerd. In een maatschappij die Antilliaanse jongeren vooral als ‘probleem’ aanmerkt, kan dit een verademing zijn.

De Brassbandschool dient een dubbel doel: muzikaal en sociaal - De Brassbandschool heeft naast een educatieve (muzikale) ook een sociale rol. De leerlingen, vooral jongeren, komen naar de school om hun zaterdagmiddag door te brengen, hun vrienden te ontmoeten en samen met hen iets te doen. Muziek is voor hen een middel: centraal staat de ontmoeting.

Het sociale aspect van de Brassbandschool is een kracht: hierdoor wordt de betrokkenheid bij het muziek maken vergroot, en voelen de leerlingen zich meer verantwoordelijk voor hun eigen leren. Als zij zich niet (voldoende) inzetten, lijdt de hele band daar tenslotte onder.

Het sociale aspect heeft ook consequenties voor de docent en coördinatoren. Zij moeten dus sociaal gezien een positie innemen die balanceert tussen autoriteit en ‘one of us’. Ook hebben zij een taak in het in de gaten houden van de sociale dynamiek en balans binnen de groep: hoe verhouden de leiders en volgers zich bijvoorbeeld, en voelt iedereen zich verantwoordelijk voor de band?

21. Hoe grijpen muzikale en persoonlijke ontwikkeling in elkaar in de Brassbandschool?
Ieder semester vormt een cyclus waarin de leerling verschillende fases doorloopt in het leerproces. Deze zijn gebaseerd op klassieke heldenverhalen omdat deze een helder en herkenbaar kader vormen voor een leerproces en (persoonlijke) ontwikkeling. De opbouw van de fases is als volgt

Fase De uitwerking in het onderwijs van de BBS
I: Calling (roeping)
“Als je niet weet wat je doel is, ben je stuurloos.” Aan het begin van ieder semester worden de doelen bepaald. (Deze worden momenteel formeel vastgelegd in het raamleerplan Caribische Brassbandmuziek.) De kortere lijn wordt in overleg bepaald door de coördinatoren en docenten. De leerbehoefte van de leerling staat daarbij centraal. Balans tussen het groepsdoel en die van de individuele leerling is belangrijk.
II: Fellowship (gezelschap)
“Alleen verander je de wereld niet.” Het gaat erom de groepen zo samen te stellen dat de leerlingen zo veel mogelijk aan elkaar hebben (peer education). Welke leerlingen kunnen elkaar motiveren en versterken, zowel muziekinhoudelijk als sociaal? Daarbij komt ook: Welke docenten passen het best bij welke groep? Bepalend is het – gezamenlijke – doel van de groep. III: Dragons (monsters)
“Daar waar je struikelt, ligt de schat verborgen.” In ieder (leer)proces zit een moment dat het moeilijk wordt. Dit kan op ieder vlak zijn. Het groepsproces is de grote kracht van de BBS-aanpak maar daarom ook vaak de zwakte. De uitdaging is om deze zwakte tot kwaliteit om te buigen.

De docent en de coördinator hebben tot doel de groep tot het inzicht te laten komen waarom het niet naar wens verloopt. Welke oplossingen kan de groep bedenken? Ook: waar is het punt dat de docent de regie overneemt?

Cruciaal in deze fase is bereidheid: van zowel leerlingen als docent/coördinator om de eigen rol en functioneren kritisch te bekijken. Net als de leerlingen, lopen ook de docenten en coördinatoren tegen de eigen grenzen aan. Hier liggen echter ook de ontwikkelingskansen voor iedereen.

IV: Performance (aanpakken)
“Het moment van de waarheid.” De toetsing. Het optreden. Het examen. De battle. De presentatie.

Nu is het zoals het is: het eindresultaat van een aantal maanden (hard) werken en het moment dat je het doel gaat bereiken. Het gaat erom dat de leerlingen tijdens het afgelopen semester ook hebben geleerd om te focussen op het moment. Het toetsing/presentatiemoment moet belangrijk zijn en ook beheersbaar.
V : Return (thuis komen)
“Een ervaring rijker.” Ongeacht het resultaat: je bent een ervaring rijker. Belangrijk is om met de groepen hun ervaring van de afgelopen fases te bespreken. Wat was er goed, wat kan beter? Het is de bedoeling dat de groep hier goed over nadenkt omdat dit doorwerkt naar de volgende fase/cyclus.

Ook de ervaringen als docententeam worden besproken. Zo moet duidelijk zijn of men op schema zit binnen het tweejarige traject.
Vervolgens begint het volgende semester weer bij fase I (Calling) maar dan met meer kennis, vaardigheden en ervaring.

22. Zijn er specifieke leerdoelen voor Caribischebrass geformuleerd?
In samenwerking met Kunstfactor, de Nederlandse koepelorganisatie voor amateurkunst, is een raamleerplan ontwikkeld voor Caribische brassbandmuziek. Dit raamleerplan voorziet in specifieke doelen binnen een tijdspad om toetsing en diplomering van leerlingen mogelijk te maken. Het raamleerplan vertelt niets over hoe het onderwijs georganiseerd moet worden. Het raamleerplan is momenteel nog niet (lang genoeg) geïmplementeerd om de gevolgen voor het onderwijs hier te melden.

Behalve de formele leerdoelen is het belangrijk om ook de persoonlijke leerdoelen van de leerlingen in het oog te houden: zij willen niet alleen leren spelen, zij willen a) in de band spelen, en b) schitteren! Zij willen spelen op het Zomercarnaval, in optochten en voor publiek. Zij willen een kans maken om een battle te winnen tegen andere bands, om uiteindelijk op de Battle of the Drums in Rotterdam met de hoofdprijs er vandoor te gaan. Houd deze doelen op het netvlies.

23. Hoe is het onderwijs georganiseerd?
[subkopje] Bands (groepsles)
Bands nemen een centrale plaats in binnen de BBS.
- Een band bestaat uit 15 tot 20 leden.
- Een band bevat zowel drummers als blazers.
- Een band wordt begeleid door twee docenten: idealiter een drummer en een blazer.
- De band heeft leden van verschillende niveaus: beginners en gevorderden.
Vanaf het eerste moment worden de leerlingen ingedeeld in groepen. Iedere groep vormt een brassband. De groep bestaat uit percussie en blazers. Saamhorigheid zorgt dat de leerlingen open zullen staan voor informatie. Om deze reden is het belangrijk om vanaf de eerste dag in groepen te werken. Deze groepen vormen hun eigen brassband, met alles wat daarbij hoort: repertoirekeuze, choreografie, een naam voor de band, enzovoort.

Al werkende komen de brassbandleden vaardigheden tegen die zij nodig hebben om verder te komen, als band en als bandlid. Dit geldt voor alle soorten vaardigheden en kennis:
- technisch,
- muziekinhoudelijk,
- organisatorisch en
- sociaal.

De methodiek werkt als er gedacht wordt vanuit het kind, de leerling. Het aanleren van de greep voor een C werkt alleen als dat zin heeft binnen de context waarvoor de leerling bezig is. Het moet duidelijk zijn dat de vaardigheden die zij aanleren – bijvoorbeeld noten lezen – een direct doel dienen: het beter leren spelen, meer mogelijkheden voor samenspelen, sneller oefenen, enzovoort. Over het algemeen geldt dat hoe beter de leerlingen worden, hoe nieuwsgieriger ze worden naar wat er nog meer te leren valt. Docenten moeten hiervan gebruik kunnen maken.

Al werkende zullen de leerlingen erachter komen wat er nodig is om een goede brassband te zijn. Instrumentbeheersing zal hierbij een steeds grotere behoefte worden. Al spelende komen leerlingen erachter dat het nog niet zo eenvoudig is om je voorbeeld na te doen. Een groep kan, met goede coaching, veel zelf oplossen. Daarom kunnen ook dingen als speeltechniek vaak groepsgewijs geoefend worden. Toch zijn er momenten dat de groepsles niet volstaat. Het is aan de docent om de inschatting te maken wanneer individuele instructie nodig is.

De bands worden ieder semester opnieuw tegen het licht gehouden; zitten de leerlingen nog in de juiste band d.w.z. de band die voor hen het meest bijdraagt aan hun doel? (Dit houdt dus niet alleen het muziek-educatieve maar ook het sociale doel in!) In overleg met de coördinatoren en docenten worden zo nodig leerlingen tussen de bands verschoven.

[subkopje] Peer education (onderling leren)
De docenten zijn er vooral om het leerproces van de bands – en dus de individuele leerlingen – te begeleiden en aan te vullen. Door gemengde bands samen te stellen waarbij muzikanten met verschillende talenten en eventueel ook verschillende speelniveaus en mate van ervaring samen komen, worden leerlingen in staat gesteld om van en aan elkaar te leren (‘peer education’. Dit betekent dat de rol van de docent substantieel verschilt van een docent in reguliere muziekeducatie.

De onvermijdelijke niveauverschillen binnen een groep worden benut. Als de groep leert om verantwoordelijkheid te nemen voor de voortgang van de hele brassband, ontstaat peer coaching: leerlingen die elkaar dingen leren. De kracht van de groep bestaat hier uit de balans tussen leiders en volgers; ieder lid van de groep is ‘leider’ op een ander gebied en kan dus zijn medebandleden meenemen. Als de band goed is samengesteld, is er dus geen sprake van een leider op alle gebieden. Bij een goede groepsdynamiek zit hier bovendien constant beweging in. Dit te coachen is een van de voornaamste uitdagingen voor de docent.

[subkopje] Individueel leren
Een-op-een les is mogelijk tussen leerlingen (zie [linkje naar peer education]) of door de docent. Het vindt plaats zowel binnen het verband van de bandrepetitie, als waar nodig daarbuiten als bijles. Het eerste maakt onderdeel uit van het sturingsproces van de docent, wanneer er een vraag ontstaat die niet door peer education kan worden beantwoord of uitgevogeld.

Het tweede, bijles, kan nodig zijn bij een individuele leerling (of klein groepje leerlingen) als blijkt dat hij/zij teveel achterblijft ten opzichte van de band, of juist als een leerling te ver vooruit loopt waardoor hij zich niet meer voldoende uitgedaagd voelt tijdens de repetities. In dit geval kan overwogen worden om de leerling in het volgende semester in een andere band te plaatsen waar de balans leider-volger qua peer education voor hem beter is. (Dit altijd in overleg met coördinator, docenten en vooral ook de leerling zelf.)

24. Hoe verloopt het tijdspad?
Het onderwijs is opgezet in periodes die ieder twee jaar in beslag nemen. Twee jaar is voor de leerlingen echter onoverzichtelijk; zo ver kijken zij niet vooruit. Daarom wordt die periode onderverdeeld in vier semesters van een half jaar. Ieder semester heeft een eigen doel. [vraag raamleerplan] De docenten stellen samen met de coördinatoren aan het eind van het semester vast welke doelen gerealiseerd zijn en welke nog niet. [link vraag toetsing]

De leerlingen komen wekelijks naar de Brassbandschool. De lessen gaan door, ook tijdens de meeste vakanties omdat een groot deel van de doelgroep tijdens de vakanties gewoon in de stad blijft.

25. Hoe wordt de voortgang van de leerlingen getoetst?
In de toetsing van de leerlingen zal worden voorzien bij de invoering van het raamleerplan [link naar raamleerplan] waarin de criteria worden beschreven. Vanwege de sociale opzet van de BBS wordt aanvullend op de examen-procedure ook getoetst aan de hand van portfolio.

Het raamleerplan is nog niet voldoende geïmplementeerd binnen de context van de BBS. Tot op heden ligt de verantwoordelijkheid voor het stellen van doelen teneinde de voortgang van de leerlingen te meten dus bij de BBS-leiding. Het is de verantwoordelijkheid van de coördinatoren in samenwerking met de docenten – en uiteindelijk ook de leerlingen! – om doelen te stellen voor de korte en langere termijn.

Ook de beoordeling van de voortgang, oftewel het al dan niet gehaald hebben van de doelen, is de taak van de coördinatoren en docenten, maar in eerste instantie ligt de verantwoordelijkheid voor ontwikkeling bij de leerlingen zelf! Het is de bedoeling dat zij zelf de lat steeds hoger leggen. Het is aan de docenten om hen daartoe te bewegen. [link rol docenten]

[subkopje] Portfolio
Iedere leerling wordt gedurende het semester gevolgd door middel van een digitaal dossier dat door de docent wordt bijgehouden. De zakelijk coördinator is de beheerder van de dossiers. In het dossier wordt bijgehouden hoe de leerling zich muzikaal ontwikkelt en op termijn of dit voldoet aan de eisen van het raamleerplan. Daarnaast wordt bijgehouden hoe hij zijn rol vervult in de groep: neemt hij initiatief, maakt hij gebruik van zijn sterke kanten?

[subkopje] Examen
Het examen bestaat uit een optreden met de hele brassband voor een examencommissie. Deze commissie bestaat uit de coördinatoren, docenten en een externe deskundige.

De setting van het examen is belangrijk. Het moet een belangrijk moment zijn zonder dat het afschrikt. De toetsing moet praktijkgericht zijn, net als het onderwijs, en een logisch gevolg van de lessen. Het moet een goed beeld geven van wat iedereen kan, zowel individueel als in de groep. De prestatie staat centraal: de brassband toont waaraan zij een semester lang heeft gewerkt.

De beoordeling is gericht op het functioneren van het individu in de groep. De persoonlijke dossiers worden door de commissieleden vooraf ingekeken zodat duidelijk is wie welke rol inneemt binnen de band. Het totale functioneren wordt beoordeeld aan de hand van een examenformulier.

26. Wat zijn culturele aspecten van de Caribischebrasscultuur waar ik rekening mee moet houden? Antilliaanse jongeren en Surinaamse jongeren vormen een doelgroep die vaak wordt geproblematiseerd. Natuurlijk moet er rekening worden gehouden met de sociaal-economische omstandigheden van iedere doelgroep maar uiteindelijk zijn het gewoon jongeren. De leerlingen komen vrijwillig naar de BBS dus zij willen er zijn. Een kind zal terug komen als jij (als docent, als organisatie) zorgt dat hij/zij terug komt. De verantwoordelijkheid ligt bij ‘ons’.

Nog een tip van de projectcoördinator die iedere week op de Rotterdamse BBS rondloopt: ga het conflict zwart/wit qua culturen niet aan. Het gaat erom vertrouwen te kweken die twee kanten op gaat. Betrokkenen moeten te vertrouwen zijn en dus vertrouwd worden. Authenticiteit is hierbij belangrijk: whatyousee is whatyou get. Je moet dus laten zien wat je waard bent en daarmee stevig in de schoenen staan. Met alleen een goede babbel kom je er niet.

27. Hoe kom ik aan (nieuwe) leerlingen voor de BBS?
Docenten van de BBS verzorgen workshops binnen en buiten schoolverband. De bands zijn goed zichtbaar op openluchtfestivals en evenementen, een vertegenwoordiger van de BBS is hier vaak bij om informatieflyers uit te delen. De BBS neemt ook deel in lokale initiatieven op het gebied van jeugd, cultuur en sport. Op deze manieren worden kinderen en jongeren actief in aanraking gebracht met de BBS.

Maandelijks wordt een open dag georganiseerd waarop nieuwe leerlingen komen aanlopen en zich voor een middag aansluiten bij een band en een proefles volgen. De eerste maand is vervolgens gratis, daarna gaat de leerling betalen.

28. Hoe houd ik leerlingen betrokken bij de BBS?
Er zijn in de Rotterdamse BBS momenteel omstreeks 50-55 deelnemers, verdeeld over drie bands. Ongeveer 30 daarvan zijn drummers, ongeveer 25 zijn blazers. De aantallen zijn niet precies omdat de groep wisselt. Leerlingen vallen door omstandigheden af of er komen – soms onaangekondigd – nieuwe leden bij. Deze flexibiliteit is onderdeel van de BBS. Buitensluiten van (aankomende) leerlingen omdat zij zich nog niet hebben ingeschreven, hun huiswerk niet hebben gedaan, of vorige week niet zijn geweest – het helpt niet om de school draaiende te houden. Blijf inclusief en bouw betrokkenheid in de loop der tijd samen op.

In essentie is het aan de docenten om de leerlingen terug te laten komen door een goede, stimulerende omgeving te creëren. De bands spelen ook hier een centrale rol. Deze sociale structuur zorgt ervoor dat de leerlingen elkaar stimuleren om te komen. De docenten spelen ook hierin een rol door onderdeel van het team te zijn. Als je niet komt opdagen, kan de band niet vooruit, maar vooral stel je je bandleden en docent teleur.

29. Welke eisen worden gesteld aan de locatie van de BBS?
Idealiter gaat het om een locatie in de stad waar de doelgroep zelf dichtbij woont. In Rotterdam wordt gebruik gemaakt van een muziekschoolgebouw dat anders op zaterdag niet gebruikt werd. De omgeving van de Brassbandschool moet inspirerend zijn voor de leerlingen en de nodige faciliteiten bieden voor het onderwijs:
- voldoende groepslokalen (bij voorkeur geluidsdicht of –arm), liefst met een bord
- kleinere lokalen beschikbaar voor sectierepetitie en individueel onderwijs (ook 1-op-1 peer coaching)
- een grote ruimte voor bandrepetitie, bijvoorbeeld een aula of grote studio
- toegang tot internet (opzoeken repertoire, materiaal, voorbeelden)
- audioapparatuur
- ruimte om de instrumenten veilig op te slaan
- gezellige kantine of groepsruimte (‘huiskamer’) voor zowel de leerlingen als hun ouders/begeleiders

30. Hoeveel instrumenten heb ik nodig?
Voor een band is een drumset nodig en blaasinstrumenten.

Een drumset bestaat ongeveer uit:
2 bassdrums
3 tenors
4 snare drums
1 quadrup of tripiece
+ harnassen voor de instrumenten (Antilliaanse band, Surinaamse bands spelen vaak met riemen aan de instrumenten)

Laat u bij de aankoop van instrumenten adviseren door experts, bijvoorbeeld bandleiders. Instrumenten kunnen nieuw worden aangeschaft bij leveranciers. Een volledige drumset inclusief harnassen kost ongeveer € 7000 tot €8000 inclusief BTW. Het is natuurlijk ook mogelijk om instrumenten tweedehands aan te schaffen. Laat een expert de boel bekijken vóór de aankoop. Ga ook na waar de instrumenten vandaan komen.

Voor de blazers zijn individuele instrumenten nodig: trompetten en trombones. De Brassbandschool in Rotterdam beschikt over 30 instrumenten: 20 trompetten en 10 trombones. Dit is natuurlijk afhankelijk van het aantal leerlingen. De instrumenten kunnen per bulk worden ingekocht om de prijs te drukken. De prijzen liggen rond €150-200 voor een trompet en €175-225 voor een trombone.

31. Kunnen de leerlingen de instrumenten mee naar huis nemen?
De drumsets blijven op de locatie. De blaasinstrumenten kunnen mee naar huis. In Rotterdam wordt huur gevraagd van €2 per maand + €50 borg. Het is ook mogelijk om de instrumenten te kopen tegen ongeveer kostprijs. Van deze gelegenheid wordt niet gebruik gemaakt.

32. Welke andere materialen heb ik nodig voor het onderwijs?
Er zijn (nog) geen lesboeken of andere onderwijsmaterialen beschikbaar en de vraag is of die zullen komen. Docenten kiezen zelf wat nodig is voor de situatie uit bestaande methodieken. Kopieën van arrangementen en oefeningen worden tijdens de lessen uitgedeeld. De leerlingen krijgen bij inschrijving (en na de eerste proefmaand) een map om lesmaterialen in op te bergen.

Partners

Brassbandschool Rotterdam
some_text
Brassbandschool Rotterdam

WMDC
some_text
www.wmdc.nl

Music Matters
some_text www.musicmatters.nu

SKVR
some_text
www.skvr.nl

Gemeente Rotterdam
some_text www.dkc.rotterdam.nl/

Mobiliteit in Muziek
www.mobiliteitinmuziek.nl

Thijs Brandenburg muziekwinkel
www.thijsmuziek.nl

Kunstfactor
www.kunstfactor.nl

Stichting To Be
www.stichtingtobe.nl


WMDC t.a.v. Sjoerd van Lee         Pieter de Hoochweg 125        3024 BG Rotterdam         Tel: 06-24439977          Email: brassbandschool@skvr.nl
powered by seedz-studios.com